2005.03.19 Alternatieve pistes-Stadsplan Veilig

Een sociaal plan voor sociale wijken:

alternatieve pistes voor het stadsplan veilig.

 

1. Inleiding: situering van dit document
2. Veiligheid: een filosofische benadering
 2.1. Het detecteren van sociale problemen: antennewerking als alternatief voor huis-aan-huiscontroles
 2.2. Het doelgroepenbeleid: naar een emancipatorische en ondersteunende benadering van verschillende groepen van wijkbewoners
3. Van SIF naar SF en de Antwerpse vorm van stadsontwikkeling
4. Drie hefbomen om achterstelling weg te werken en de wijken leefbaar maken mét en voor zijn huidige bewoners
 a : tewerkstelling
 b : huisvesting
 c : Onderwijs
5. Gezondheid als basisvoorwaarde voor sociale veiligheid
6. Sociale en leefbare wijken kosten geld: wie gaat dat betalen.
7. info’s en contacten

 1. Inleiding

Nadat op 29 november het stadsplan veilig werd goedgekeurd door de voltallige Antwerpse meerderheid, organiseerden Attac Antwerpen, Rot op Huisjesmelkers en Onderwijs zonder Grenzen het verzet tegen dit plan. BastA! werd opgericht, al snel ondersteund door DAK en Volvox. Vooreerst bestudeerden we nauwgezet het plan en balden onze kritieken in een documentje van een 6-tal blz. ; kritieken die ondertussen genoegzaam bekend zijn. Vervolgens startten we een petitie op die ondertussen getekend werd door meer dan 300 mensen en organisaties. Tegelijkertijd informeerden we zoveel mogelijk de bewoners van de straten en buurten waarop het plan focust en de specifieke groepen van mensen (oa Marokkaanse, Roma, Af
rikaanse en Russische gemeenschap) Tevens lieten we het plan ook onderzoeken op zijn juridische ‘kwaliteit’.Ons protest maakte heel wat los : buurtbewoners, buurtcomités, middenveldorganisaties en ook leden en mandatarissen van dezelfde partijen die het plan goedkeurden, sloten zich aan bij het verzet en/of tekenden protest aan via hun eigen kanalen. Met als gevolg dat zowel de bevoegde schepen Grootjans als de bedrijfsdirecteur,
Tom Meeuws van de bedrijfseenheid integrale veiligheid zich in allerlei bochten begonnen wringen en het plan telkens een andere inkleuring gaven, afhankelijk van het publiek waarvoor zij praatten. Een aantal kenmerken kwam in dit discours steeds terug : het is een plan om – sociale – problemen te inventariseren en om vervolgens de verantwoordelijke stadsdiensten wakker te schudden ; het is m.a.w. een sociaal plan Deze stad kan beter, deze stad verdient beter. Stel dat het stadsplan veilig inderdaad de bekommernis zou dragen om een sociaal beleid voor deze stad en de vermelde buurten vorm te geven, dan zijn de gehanteerde methodieken contraproductief. Nog los van het feit dat een aantal ‘oplossingen’ – we zullen kleurboekjes uitdelen – voor de problemen die men vermoedde vast te stellen ronduit getuigen van een zelden gehoorde onnozelheid. Daar tegenover staat dat de stad en haar diensten – in potentie – over de middelen en de expertise beschikken om zo’n beleid vorm te geven. Het is op basis van dit uitgangspunt dat wij dit documentje bij elkaar schreven. Wij  blijven het stadsplan veilig integraal verwerpen. In plaats daarvan stellen wij een aantal alternatieve pistes voor waarmee een sociaal beleid voor deze wijken vorm zou kunnen krijgen. Sommige van deze pistes zijn zeer concrete voorstellen en kunnen onmiddellijk opgenomen worden als elementen van een beleid. Andere pistes vergen meer durf en politiek moed en situeren zich binnen middellange termijnvisies op een – sociale – ontwikkeling van de stad. En hoe dan ook spreekt uit al deze voorstellen de vaste wil om iets van deze straten, buurten, wijken, stad te maken met alle mensen die er wonen en leven. Ongeacht hun verblijfssituatie, hun inkomen, hun huidige taalvaardigheid en andere criteria die anno 2005 in Vlaanderen in ‘t algemeen, in deze stad in ‘t bijzonder, meer en meer gebruikt worden om – groepen van – mensen systematisch uit te sluiten van burgerrechten en sociale grondrechten. Met onze alternatieve pistes willen we aantonen dat het anders kan, meer, dat het anders moet. ‘t stad is van iedereen. Als het aan ons ligt, blijft dat geen holle slogan.Deze alternatieve pistes zijn geschreven door zeer verschillende mensen met een zeer verschillende sociale en politieke achtergrond. Allen zijn ze, zijn wij, in professioneel verband of op basis van vrijwillige engagementen, actief in de wijken, kennen de sociale problematiek zeer goed. Onze bijdragen zijn gebaseerd zowel op praktijkervaring als op inzichten uit wetenschappelijke literatuur. Ze zijn allemaal bruikbaar. En gratis. De straten, buurten wijken die door het stadsplan veilig geviseerd worden, verdienen ondersteuning. De achtergestelde groepen die er wonen verdienen ondersteuning. Zo’n doorgedreven ondersteuning zou de basis kunnen leggen voor tolerante, sociale wijken. Laten we er aan beginnen.Omdat een ander Antwerpen mogelijk is.Opdat ‘t stad van iedereen zou zijn.BastA!

2. Een filosofische benadering : pleidooi voor een stabiele flexibele veiligheidsge-meenschap

‘Stadsplan veilig’. Een streven naar een stad waar het veilig leven is, en -minstens even centraal- dat ook als zodanig wordt ervaren. Ervaren door (alle ?!) mensen die in deze stad leven (wonen-werken-vertoeven). Dat kan enkel als nobel worden omschreven. Althans, als dat een beetje serieus mag gebeuren ?! En is het nu net niet dat ‘serieux’ dat me ver te zoeken lijkt in een plan dat een aantal randfenomenen op een repressieve manier aanpakt, en nergens blijkt toont van echte bezorgdheid voor de ‘volle’[1] veiligheid van ALLE mensen hier, en voor de problemen die vaak aan de oorzaak van onveiligheid liggen.  Volgens het plan moet er ‘opgetreden’ worden, niets wordt tot stand gebracht, laat staan veiligheid.Vandaar dat ik hier wil pleiten voor een nadenken over hoe we een volle veiligheid voor IEDEREEN in deze stad tot stand kunnen brengen. Ik wil dan ook pleiten voor de opbouw van een stabiele flexibele veiligheidsgemeenschap.Om de betekenis hiervan te vatten, kan het zinvol zijn om even te kijken naar de diverse betekenissen die het Latijnse woord ‘securus’ (de stam van diverse internationale uitdrukking van veilig, oa. Frans, Engels, Spaans, Italiaans, Portugees,…) in de loop der  jaren heeft aangenomen en verworven.Een eerste betekenis die we aantreffen wordt duidelijk bij de etymologische ontleding: ‘se cura’,[2] wat wil zeggen zonder zorgen. Deze betekenis werd vastgelegd in 1593. Later werd er een ander aspect in toenemende mate aan verbonden, namelijk ‘stevig vast’, wat zoveel betekende als ‘hebbende een grond voor vertrouwen’ vastgelegd in 1841.De eerste betekenis ‘zonder zorgen’ duidt reeds aan dat er aan aantal basisvoorwaarden vervuld moeten zijn, zoals bvb. Huisvesting, onderwijs, inkomen,… Aangezien deze in dit alternatief plan uitvoerig worden besproken, ga ik hier niet verder op in, al beschouw ik ze absoluut als conditiones sine qua non (nada!).De tweede betekenis kan verduidelijkend zijn voor onze eerste twee stellingen:1 Veiligheid is enkel te bereiken, in en door diverse gemeenschappen, die samen een veiligheidsgemeenschap kunnen vormen.2 Deze veiligheidsgemeenschap vereist een vorm van stabiliteit.Als we de hedendaagse context in Antwerpen bekijken, moeten we noodzakelijkerwijs nog een derde stelling hieraan toevoegen:3 Een stabiele veiligheidsgemeenschap moet een zeer hoge flexibiliteitsgraad bevatten.

1. Veiligheid is enkel te bereiken, in en door diverse gemeenschappen, die samen een veilig-heidsgemeenschap kunnen vormen.

Als we even het -ethisch verwerpelijke- idee volgen van veiligheid voor een beperkte gemeenschap: de ‘goede’ (gegoede ?) burgers met Belgische nationaliteit of geldige verblijfsdocumenten. Hoe je het ook draait of keert (en in het ‘plan veilig’ wordt serieus wat rondgedraaid), dat is per definitie onbereikbaar. Immers, zo creëert men altijd een groep van outsiders, die steeds een bedreiging zullen blijven vormen voor de gesloten gemeenschap. En dit zowel van buitenaf (vb economische bedreiging, fysieke bedreiging,…) als van binnenuit (een aantal leden van de groep blijft niet immuun voor een ethisch appel en de groep zal defragmenteren). Deze onmogelijke keuze -veiligheid voor een inner group-  lijkt mij in het plan veilig echter wel gevolgd.Een ‘veiligheidsgemeenschap’ heeft dus enkel overlevingskansen als ALLE mensen die in deze stad leven er deel van uitmaken. ‘Deel uitmaken van’ wil zeggen dat er banden zijn, dat er betrokkenheid is. Een gemeenschap kan per definitie nooit gevormd worden door op zichzelf staande autonome eenheden. Een stad als Antwerpen is natuurlijk geen dorp met een duidelijke eenvoudige structuur, gebouwd rond pastoor, onderwijzer, cafébaas en burgemeester. Hoe kan er dan sprake zijn van ‘gemeenschap’ die betrokkenheid en zelfs een soort van eenheid impliceert ? In praktijk zien we dat er zich ettelijke subgemeenschappen hebben gevormd, en zich dagelijks vormen: gaande van sportclubs, schoolgemeenschappen, service clubs, zelforganisaties, religieuze gemeenschappen, buurtgroepen, jeugdbewegingen, armenverenigingen, kunstenaarsverenigingen, etnische verenigingen,… Het hoeft geen betoog meer dat mensen sociale wezens zijn, die streven naar gemeenschapsvorming.Dan blijven er twee opties: of die gemeenschappen gaan lijnrecht in een relatie van rivaliteit tegenover elkaar staan. Of die gemeenschappen gaan onderling banden aan.[3] In het eerste geval betekent dit dat de leden van die gemeenschap hun identiteit in sterke mate ontlenen aan die ene gemeenschap, aan hetgeen wat daar de centraal bindende factor is. Wat in extremis tot een zeer gevaarlijke situatie kan leiden , voorbeelden genoeg in de geschiedenis.In het tweede geval bouwen mensen hun identiteit op uit de diverse aspecten van de verschillende gemeenschappen waartoe ze behoren, waar ze bij betrokken zijn. Vanzelfsprekend zijn er verschillende gradaties mogelijk, en begeven de meeste mensen zich ergens in het midden tussen lidmaatschap van 1 gesloten gemeenschap en lidmaatschap van uiterst diverse gemeenschappen.De vraag is echter: welke kant willen we op, en welk beleid moet gevoerd worden om naar die kant op te schuiven ? In het kader van creëren van een veiligheidsgemeenschap is het dus noodzakelijk om de banden tussen de subgemeenschappen uit te breiden en te versterken (cfr. supra). Een voorwaarde daartoe is echter dat de subgemeenschappen zelf bestaansrecht en bestaansmogelijkheden krijgen, en als mensen ook van een volle vrijheid kunnen genieten om tot de gemeenschappen van hun keuze te behoren. Hoe meer men jacht maakt op een bepaalde gemeenschap, hoe meer die gemeenschap zich op zichzelf zal terugplooien, hoe minder banden en relaties er gevormd worden, hoe minder betrokkenheid er is t.o.v andere subgemeenschappen en het groter geheel. Men komt in een situatie van rivaliteit terecht, en het veiligheidsdilemma ligt op de loer. Een overlappend lidmaatschap van diverse gemeenschappen kan rechtstreeks tot veiligheid leiden: je gaat de andere leden van je gemeenschap (al is het slechts 1 van de vele subgemeenschappen) niet als bedreiging ervaren of als ‘vijand’ zien. Het lijkt er soms echter op dat een spontane overlapping en kruisbestuiving lijkt te groeien, maar dat die door het gevoerde beleid wordt geremd of zelfs in gevaar gebracht. Een overduidelijk vb.: als je als Belgische vrouw wil trouwen met de man van je leven, en dat is dan toevallig een man van Algerijnse afkomst zonder papieren, dan ben je verdacht, word je achtervolgd, en eventueel zelfs vervolgd.Op globaal vlak lijkt het een evidentie dat onze identiteit en banden meer en meer gediversifieerd worden, op lokaal vlak wordt dat als een bedreiging aanzien. Men kan moeilijk aannemen dat een dergelijke angstige houding tot veiligheid zou kunnen leiden.De rol van de overheid (ook het lokaal beleid) hierin zou kunnen zijn: het ondersteunen van de verschillende subgemeenschappen, het stimuleren van de communicatie, en zorgen voor een degelijke vertegenwoordiging van alle subgemeenschappen op alle vlak (politiek, economisch, op vlak van tewerkstelling,…).

2. Deze veiligheidsgemeenschap vereist een vorm van stabiliteit.

Als aan deze voorwaarden is voldaan (namelijk een gemeenschap bestaande uit verschillende subgemeenschappen met banden en overlappend lidmaatschap) hebben we nog geen voldoende garantie dat die gemeenschap een veiligheidsgemeenschap is. Daartoe is ook een vorm van stabiliteit nodig. Een systeem is maar stabiel als het evenwichtig is. Ook hier is een taak voor de overheid weggelegd. Ze moet er immers over waken dat die banden tussen de verschillende gemeenschappen in een vorm van wederzijds respect gebeuren. Dit impliceert dat één groep de andere niet mag domineren, dat er een erkenning van gelijkheid is. En die stabiliteit moet ook structureel worden ingebouwd. Als er een relatie van gelijkwaardigheid is, houden de verschillende gemeenschappen elkaar in stand. Die stabiliteit en banden versterken elkaar dan ook in beide richtingen.Stabiliteit vereist ook dat een bepaalde gemeenschap niet onder te sterke druk komt te staan. Ook hier moet de overheid haar verantwoordelijkheid opnemen. Zij bepaalt immers in praktijk vaak wat er van een bepaalde gemeenschap verwacht wordt, en wat de opvattingen zijn over wat er verwacht mag worden. Als er onhaalbare eisen worden gesteld, kan de boel snel ontploffen. Een overduidelijk voorbeeld: in Antwerpen leven massaal veel mensen zonder papieren, die niet terug kunnen naar hun land van herkomst, zelfs als ze het nog zo hard zouden willen. Deze mensen krijgen hier echter geen financiële steun, mogen hier ook niet werken. Op een legale manier kunnen ze hier dan ook onmogelijk op eigen kracht overleven. Veiligheid? Ook de eisen die men verantwoord kan noemen moeten ook effectief praktisch mogelijk gemaakt worden. Denken we maar aan het Nederlands en de massale wachtlijsten om Nederlands te leren.Indien deze vereisten niet degelijk worden ingevuld kan een veiligheidsgemeenschap niet tot stand komen, en zeker niet stand houden.

3. Een stabiele veiligheidsgemeenschap moet een zeer hoge flexibiliteitsgraad bevatten.

Dit eerst en vooral ten opzichte van de verschillende leden van de gemeenschap en de subgemeenschap. Deze groep is reeds zeer divers, en die diversiteit zal alleen maar toenemen. Migratie is een feit, is een natuurlijk organisch proces dat onomkeerbaar is. Dat moeten we niet met angstige ogen aanzien, maar zorgen dat we de flexibiliteit en de tolerantie hebben om daar snel en correct op in te spelen. Nieuwe leden betekent immers ook nieuwe culturen, gebruiken, godsdiensten. We moeten ervoor zorgen dat onze gemeenschap sterk en flexibel genoeg is om deze mensen ook daadwerkelijk voor honderd procent in de gemeenschap te betrekken.Een voorbeeldje: Roma die analfabeet zijn en een andere tijd/ruimte structuur beleven dan wij (een aantal groepen mensen hebben geleerd afstand te bepalen en uit te drukken in ‘hoe lang lopen’ en niet in kilometers) leven hier. Verkeersreglementen, recyclagekalenders,… onze gemeenschap en de organisatie ervan is vol ‘chinees’ voor hen. We zullen geen veiligheid creëren door hen op te jagen omdat ze er niet in slagen een aantal van onze regels na te volgen. Zij zijn niet de belichaming van ‘het probleem’. Als we ‘het probleem’ willen aanpakken moeten we inzien en erkennen dat hier mensen leven die onmogelijk hun weg kunnen vinden in onze bestaande structuren, en moeten we daar oplossingen voor zoeken.Niet enkel de nieuwkomers veranderen de gemeenschap, ook bijvoorbeeld de vergrijzing zorgt ervoor dat onze structuren op proef gesteld worden. Ook daar kan enkel de nodige durf en flexibiliteit een antwoord bieden. In beide gevallen moet de gemeenschap andere, nieuwe noden erkennen, en daaraan werken, zodat niemand uit de boot valt.Dit zal zich moeten vertalen in een vergaande flexibiliteit van onze gemeenschap: het zoeken naar antwoorden en het vlot aanpassen van onze structuren aan de realiteit. Zoals het rapport van de commissie Vermeersch over het uitwijzingsbeleid een mislukte poging is om op basis van praktische argumenten een (ook voor deze commissie!) ethisch onaanvaardbaar beleid goed te praten, zo ook moeten wij als stad durven andere vragen stellen. Zowel ons stadsbestuur als de commissie Vermeersch gaan ervan uit dat onze economie en sociale zekerheid een politiek van open grenzen niet kunnen dragen, dus gedwongen uitwijzing is (verwerpelijk doch) noodzakelijk. Dit wordt echter nergens gestaafd, nergens onderzocht hoe dat mogelijk wordt.De vraag kan niet meer zijn: ‘hoe kunnen we ‘ze’ -’de veelplegers, de meeloper, de balkankinderen, de verslaafde veel- en vaakplegers, de risicogezinnen, de vuilhufters,…’- wegkrijgen ?’ Maar ‘hoe kunnen we het als stad mogelijk maken met IEDEREEN een veilige gemeenschap vormen ?’ Een andere stad is mogelijk, ‘t stad is van iedereen !

3. De antennewerking.

Er bestaat reeds een uitgebreid netwerk van antennes in de wijken. Zij kunnen geoptimaliseerd worden voor het opsporen, detecteren en inventariseren van problemen in het kader van het voeren van een sociaal beleid. De antennes zijn, ondermeer, de volgende : – De scholen : bvb. Omnimundo- Themagerichte buurtgroepen : bvb. Rot op huisjesmelkers- De wijka
genten- Het stedelijk krotspotteam- De buurttoezichters- de Straathoekwerkers – De 0-de lijnsorganisaties die werken met mensen die in armoede leven : bvb. PSC-Open Huis- De 0-de lijnsorganisaties die werken met vluchtelingen : bvb. PSC-Vluchtelingendienst- Bewonersgroepen- De etnisch georganiseerde zelforganisaties- De stedelijke wijkcentra- De moskeeverenigingen- Het stedelijk jeugdwerk en de jeugddiensten- De buurt- en wijkcentra van het Riso Deze groepen van individuen en instanties, waaronder ook stedelijke, hebben een zeer sterke signaalfunctie. Zij nemen die ook, waar mogelijk, ter harte. De spijtige vaststelling is dat veel van hun signalen vaak niet gehoord worden, verloren gaan.. Een optimaliseren van die signaalfunctie bij de ontvanger én het gevolg geven aan de gesignaleerde feiten zou reeds een enorme stap vooruit betekenen. We moeten vaststellen dat ook op het niveau van stedelijke diensten onderling de signalen weinig of niet doorgegeven worden. Hieruit moeten we vooral concluderen dat een werkbare operationalisering van al de gegevens waarover de stad beschikt – om daar dan een gefundeerd beleid mee te voeren – zich dringend aandient. Wij durven suggereren dat zulk een vorm van infoverzameling, in ‘t kader van het voeren van een sociaal beleid, op de volle steun van bewoners en het middenveld zou kunnen rekenen. En wat we zeker weten is dat zulk een vorm van infoverzameling en – verwerking de geplande huis-aan-huiscontroles, die ook in hun ‘softe’ versie die nu in de maak is, niet op die steun van een belangrijk deel van de bevolking kunnen rekenen, overbodig zouden maken. De stad en de stedelijke diensten hebben op bepaalde beleidsdomeinen in het verleden al bewezen – en ze doen dat nog – dat ze de signaalfunctie gevolgd door probleemoplossend handelen ter harte kan nemen. De ervaringen van de bewonersgroep van de Richardstraat, om maar een voorbeeld te noemen, m.b.t het deelgebied overlastbestrijding zijn daarin positief te noemen. Wij opteren dan ook voor uitgebreide en geoptimaliseerde antennewerking.Als men de signaalfunctie van bovenvermelde groepen ter harte neemt zal men  ongetwijfeld vaststellen dat voor de mensen zonder papieren het merendeel van hun problematiek verbonden is met de situatie van illegaliteit waarin zij verkeren. Een situatie die in een beduidend aantal gevallen door de overheid gecreëerd is. Verder zal men, voorbij de oppervlakkige waarneming zoekend, vaststellen dat veel van de problematieken verband houden met de grote 3 pijnpunten in deze wijken. Te weten : huisvesting, tewerkstelling en onderwijs.

4. het specifieke doelgroepen beleid.
1.  de zogenaamde balkankinderen :
in realiteit doelt men hier op 2 groepen van overwegend Roma-kinderen. Een eerste groep van die Romakinderen is vrij jong : ze venten en bedelen, verkopen bloemen en andere zaken,  al dan niet samen met hun ouders. De meeste van die kinderen zitten op school. Daar kent men vaak de situatie. En staat men machteloos : de kinderen bedelen/verkopen bloemen om het gezinsinkomen te ondersteunen, een sociale wantoestand met 19de eeuwse allures. De oplossingen liggen op het vlak van ondersteuning van de gezinnen in hun geheel zodat deze kinderen niet langer de straat op moeten om mee voor de letterlijk broodnodige centen te zorgen.De tweede groep betreft Roma-jongeren, vooral jongens, die zich prostitueren. Een zeer moeilijke problematiek. Men kent de jongeren, weet waar ze werken. Hun opvang en begeleiding vraagt langdurige, intensieve begeleiding. De expertise is er. Er is bereidheid en geld nodig om vanuit die expertise met die jongeren aan de slag te gaan/ te blijven.
2.  de veelplegers : men heeft het in hoofdzaak over minderjarige Belgen van Marokkaanse afkomst. Ook hier geldt dat men kent ze. Op de scholen kent men ze. De politie kent ze. De jeugdbrigade kent ze. Het parket kent ze. De voorgestelde maatregelen om korter op de bal te spelen van vroeg af aan zijn een stap in de goede richting als hier men extra begeleiding en omkadering aan verbindt. Ook hiervoor heeft. Zeer ondersteunend zou zijn als de groep, van afkomst Marokkaanse,  jongeren van jongsaf aan positieve rolmodellen zouden voorgeschoteld krijgen : met het torenhoge werkloosheidspercentage onder de bevolking  met Marokkaanse roots is dat natuurlijk moeilijk.
3. De meelopers : hier heeft men het over schoolgaande kinderen en beginnende pubers die een groeiend spijbelgedrag vertonen. Deze kinderen en jongeren zijn gekend op de scholen. Een deel van hun rondhangplekken zijn gekend bij jeugdwerkers. Deze groep kan mits kordaat ingrijpen en confrontatie met gezagsfiguren, interne zowel als externe, zoals bvb mensen van de jeugdbrigade en het jeugdparket in combinatie met een actie naar de ouders snel terug op het goede spoor worden gezet. Dit vraagt om extra omkadering voor die diensten.
1.   De risicogezinnen  : mensen die in armoede leven en blijk geven van een psychosociale problematiek, verbonden met die armoedeproblematiek. Ook hier geldt dat men die mensen kent en weet wonen. Hier is duidelijke nood aan intensieve, sociale en persoonlijke begeleiding door gespecialiseerde diensten. Dit is een taak van de diensten van het OCMW bij wie dit expliciet in hun takenpakket vermeld staat. Zij moeten en kunnen die taak opnemen. Het hoofddoel van de begeleiding moet zijn dat deze mensen degelijke hulp krijgen, dat ze ondersteund worden bij het weer in handen nemen van, greep krijgen op, hun eigen leven. Dit kan niet als men de ‘hulp’ kadert in een overlast discours. De hulp moet vertrekken van de waardigheid, de kracht en de positieve mogelijkheden van de mensen waarover het gaat. De hulp moet erop gericht zijn om de mensen sterker te maken, en hun rechten terug te geven die hen ontnomen zijn.  De bestaande ‘bevoegde diensten’ moeten hun werk doen, en moeten daarvoor waar nodig beter uitgerust worden (personeel, middelen,…). En vermits de problemen van de mensen op vele vlakken liggen, moet ook de aanpak van de problemen op vele vlakken liggen. Zo komen we bij het recht op onderwijs, huisvesting, tewerkstelling (en  andere basisrechten die daarmee samenhangen: gezondheid, gezinsleven, …). Het beleid moet erop gericht zijn dat iedereen zijn recht op al deze zaken effectief kan opnemen. Een structureel beleid dus, dat niet enkel symptomen bestrijdt. Een samenleving waarin mensen uitgesloten wordt van deze rechten, loopt het ‘risico’ dat een aantal mensen niet mee kan en serieus gaan lijden onder allerlei problemen: slechte gezondheid, slechte huisvesting. We komen dan m.a.w. in een ‘risicosamenleving’ terecht. Als de ‘t stad van iedereen is, maak dan een stad waar iedereen meetelt, en waarin niemand het risico moet lopen om in armoede te leven. Pak de ‘risicosamenleving aan’ en schuif de schuld niet af op de ‘risicogezinnen’.
2.  De verslaafde veel en vaakplegers : hier bedoelt men hard druggebruikers die hun stek hebben op en rond het de Coninckplein. Men wil de overlast die hun druggebruik en daarmee samenhangend gedrag veroorzaakt, wegnemen. Hierbij dient aangestipt dat een aantal van de Afrikaanse horeca uitbaters op het plein op een zeer menselijke en correcte manier met de gebruikers weten om te gaan zonder dat hun zaken verworden tot gebruikersruimtes of tot verkoopruimtes. Die gebruikersruimte is één van de knopen in het debat over de drugshulpverlening. Ondermeer daarover zijn gesprekken aan de gang tussen alle betrokkenen in het kader van de deconcentratie van de drugshulpverlening. Belangrijk is om er op te blijven toezien dat men de subsidiekraan voor deze centra, per ‘ongeluk’ of niet, niet toedraait.
3.  De vuilhufters : hiermee bedoelt men mensen die systematisch blijven sluikstorten, alle campagnes die gevoerd worden, ten spijt. Het is geen gemakkelijk te hanteren problematiek. Het dient gezegd dat de betrokken stadsdiensten zeer veel inspanningen leveren om de problematiek aan te pakken. De knoop in deze problematiek ligt echter ook buiten hun bevoegdheid. De gescheiden huisvuilomhaling met de zakken waarvan de prijs voor sommige mensen een belemmering vormt. Ook het gegeven van een snel wisselend deel van de populatie van nieuwkomers in een deel van wijken, speelt een rol. Daartegenover staat dat : systemen worden onderzocht en zijn in de maak om afval op industriële wijze te scheiden : deze kunnen binnen minder
dan 2 jaar operationeel zijn op stadsbasis zodat gescheiden huisvuilomhaling niet meer hoeft. Goedkope vuilzakken zouden een oplossing bieden. Ander spoor : het plaatsen van verschillende containers Cf. glasbakken. Het werkt in vele andere grote Europese steden. Het is arbeidsintensief : unieke kans tot jobcreatie voor laaggeschoolde mensen.

5. Het stedenfonds en het stadsont-wikkelingsbeleid in Antwerpen

De voorvader van het stedenfonds is het genoegzaam bekende Sociaal Impuls Fonds. Dit fonds was sterk gericht op de achterstelling zoals die zich manifesteerde in buurten en wijken. Het had, ondermeer, de expliciete doelstelling om aan de achterstelling van groepen van de bevolking, levend in die wijken, te werken. Het was m.a.w een beleid gericht op de lotsverbetering van de mensen die in die wijken wonen. Met de geboorte van het stedenfonds in 2003 werd het roer radicaal omgegooid : men koppelt de achterstelling van buurten aan de stadsvlucht en het beleid wordt erop gericht die te keren. Dat resulteert in een beleid om de midden- en de hogere inkomensklasse, de zogenoemde ‘vitale groepen’ terug naar de steden en de wijken te lokken. Men wil zich daarbij ook niet langer ‘beperken’ tot de achtergestelde wijken maar ook naar de wijken die dreigen achtergesteld te worden. Centrale in dit beleid, zoals het verder ‘geoperationaliseerd’ wordt door de huidige bevoegde minister Marino Keulen, is de notie ‘leefbaarheid’. Leefbaarheid wordt daarbij gedefinieerd als de aantrekkingskracht die steden, wijken uitoefenen op jonge gezinnen voor hun woonfunctie : een middenklasse definitie die suggereert dat wijken met veel allochtonen, werklozen en sociale huurders/sociale woningen niet leefbaar zouden zijn.In Antwerpen heeft dit geleid tot een politiek van inplantingen van prestigieuze projecten die de buurt en wijk waar ze werden/worden ingeplant van uitzicht veranderen en die de zo gegeerde middenklasse aantrekt. Dit is het verhaal van de volgende buurten :

5.a   Het justitiepaleis en de trek naar en weg van ‘t zuid : het zuid, langs de kant van de kaaien, was ooit, tot half de jaren 80, de wijk waar de mensen met een bescheiden inkomen naar toe trokken, hun intrek namen in de nog steeds statige herenhuizen die tot dan toe niet langer voldeden aan het modern idee van comfort. Ook onze allochtone medeburgers, veelal van Turkse afkomst, vestigden zich daar omwille van de betaalbaarheid en de ruimte die deze huizen aan de vaak kroostrijke gezinnen boden. Eind de jaren ’80 werd de schoonheid van deze wijk herontdekt door de nieuwe rijken, de yups zeg maar, die wel wat zagen in de wijk. In hun zog volgde met de jaren, ook de officiële cultuursector en een soort van lifestyle horeca en middenstand. Een eerste sociale verdringing, zij het op beperkte schaal, vond plaats. Recentelijk, met de inplanting van het Justitiepaleis is die verdringing enorm toegenomen en strekt zich uit tot ver over de Leien. De enorm toegenomen inkomsten uit kapitaalbezit voor de betere verdiener in vergelijking met die van de bescheiden loonwerker, speelt hierin ook een rol. Met als resultaat dat bewoners die pakweg 20 jaar geleden van het Noord verhuisden en daar kwamen  wonen omwille van de betaalbaarheid – en nu soms een goeie zaak kunnen doen -  terugkeren naar het Noord. Dit is het begin van een carrousel zoals die zich, tot nog toe, nooit zo scherp in Antwerpen heeft afgespeeld. Hetzelfde fenomeen wordt heden ten dage vastgesteld in het zo geroemde Rotterdam 

5.b  Het eilandje en zijn loftenpark : het was in het gezegende cultuurjaar ‘ 93 dat de toenmalige burgemeester en tevens schepen van cultuur, Cools, het begrip ‘ the antwerp docklands’ lanceerde met referentie naar het Londense voorbeeld. Nogal wat mensen, waaronder ook een aantal in de tentakels van de decisionmakers,  kochten toen de oude pakhuizen op die ruim verspreid staan op het Eilandje. Later dan verwacht allicht, maar dan nu toch, hebben deze investeringen gerendeerd, mede door de inplanting vaneen blok met exclusieve luxe appartementen aan de Entrpotkaai. De kreten van de buurt, vooral bevolkt door ouwe schippers die    op de wal zijn komen wonen, maar toch de omgeving van het water noden, wordt nauwelijks gehoord. Zij zien met lede ogen de sociaal infrastructuur van bakker, krantenwinkel ed. verdwijnen. Nieuwe komen er niet in de plaats. De nieuwe bewoners verplaatsen zich met de wagen en zijn, behoudens het uitzicht in de verte, niet geïnteresseerd in de buurt.

5.c  Het kievietplein : het pas vers in het geheugen gebrande verhaal van het Kievietplein kent elke met deze stad begane burger. Het is het verhaal van inspraak die geen inspraak is. Het is het verhaal van stadsontwikkeling die de inbreng van de mondige burger, straal negeert. We verwijzen hier graag naar de website van de ploeg.

5.d Het de Coninckplein : het de Coninckplein heeft altijd een ‘reputatie gehad’ : zeker en vooral bij mensen die niet op of rond het plein woonden. De plein- en omgevingbewoners leefden er met elkaar, organiseerden zich ook om het samenleven op het plein vorm te geven, mogelijk te maken. Toen half de jaren ’90, nog in het geestelijk zog van dat weergaloze cultuurjaar, bestemmingen werden gezocht voor het vrijgekomen Permeke gebouw, werden schitterende plannen gemaakt, met de buurtbewoners, met de Afrikaanse gemeenschap. De invulling, multifunctioneel focuste zowel op ontmoeting en cultuur als op sportinfrastructuur met uitgebreide aandacht ook voor kinderen en jeugd in deze kroostrijke buurt. Kansen gemist, het is de bibliotheek geworden. Het zij zo. Nu moet de bibliotheek ‘lukken’. Een aantal vermeende obstakels daartoe, waaronder die ‘reputatie’ van het plein moest dus opgeruimd. Dit leidde tot een verbod – gedurende een jaar – op feesten op het plein tenzij die door aan de stad verwante organisaties werden georganiseerd. Er geldt (gold?) een terrasverbod. 2 Afrikaanse cafés werden, tijdelijk, gesloten op basis van het ontbreken van een aantal vergunningen, zoals bvb. voor een terras. Eén op basis van drugdelicten. Zonder de ernst van de feiten te willen minimaliseren willen we er toch op wijzen dat in een aantal van deze cafeetjes, ook in diegene die niet gesloten werden maar wel al ‘s een sneer krijgen via de pers, een verstandhouding groeide met de druggebruikers die werkbaar en leefbaar was en is voor zowel de caféuitbaters, de klanten als de verslaafden. Dit is vrij uniek en in ‘t kader van een emancipatorische benadering van de problematieken rond het plein eigenlijk iets om te ondersteunen. En zo komen we bij het debat over de deconcentratie van de drugshulpverlening. Dit is zeker niet vreemd aan de komst van de bibliotheek. Ondertussen stijgen de huur- en koopprijzen op de assen met het Centraal Station en de te vernieuwen Rooseveltplaats aanzienlijk. Ondertussen bloedt het plein dood. Overdag blijven al heel wat luiken dicht. ‘s Avonds is er, zeker tijdens de week, nog weinig animo. Het ligt niet aan de winterperiode, volgens de horeca-uitbaters.

5.e  Het designcentrum en de Offerandestraat : het designcentrum is er gekomen op vraag van een aantal middenstandsverenigingen. Ze zagen er een instrument in om de buurt op te waarderen en een nieuwe, ‘kwalitatieve’ middenstand aan te trekken. Enkele kleinere designzaken opende in de lange Winkelhaakstraat. Eén onder hen is al terug verdwenen. In het Designcentrum zelf gebeurt niks, een receptietje om de paar maanden van één of andere schepen niet te na gesproken. De wekelijkse bezoekers zijn op één hand te tellen. De geciteerde ‘middenstandsvereniging’ heeft nooit stappen ondernomen om de nochtans bloeiende en veelkleurige handel in de Offerandestraat te ondersteunen. Deze worden nu wel regelmatig gecontroleerd om te zien of ze met alles in orde zijn. Benieuwd wanneer de Meir aan de beurt is. De bovenstaande verhalen beschrijven treffend hoe er momenteel in deze stad aan buurt- en wijkontwikkeling gedaan wordt. Men wil het karakter van buurten veranderen, ze een uitstraling geven die dan, naar verhoopt, een nieuwe groep bewoners zal aantrekken. Daarbij brengt men weinig respect op voor de huidige bewoners van die buurten en wijken die eerder ervaren worden als een hinderpaal in dit model van stadsontwikkeling. Dit beleid wordt expliciet ondersteund door het stedenfonds. Bij de overgang van SIF naar stedenfonds is het budget van dat fonds, ongeveer gehalveerd. Binnen dit gehalveerde budget is ook nog ‘s stevig beknot op de middelen die naar de kansarme groepen gaan : voor de doelgroep van mensen die in armoede leven is dit bvb. van 47 naar 30%. Het stadsplan veilig past naadloos in dit stramien : alleen al de expliciet vermelde straten die men  huis-aan-huis gaat controleren grenzen aan of liggen in de nabije omtrek van een aantal van bovenvermelde ‘ stadsontwikkelingsprojecten’. De teneur van marginalisering en criminalisering van bepaalde groepen van mensen die in die straten wonen die het plan kenmerkt sterken ons in het vermoeden dat het er onder meer op gericht is een deel van de bevolking te verjagen. Tegelijk gaat een ander deel van de middelen uit het Stedenfonds naar allerlei sociale initiatieven, o.a. Open Huis en de andere verenigingen van APGA. Binnen de Stad is er de stedelijke armoedecel, waarmee veel contact is in functie van de uitvoering van allerlei projecten. Bedoeling van deze projecten is om te werken aan de participatie van de armen (hen au sérieux nemen, werken aan beleidsvoorstellen en -maatregelen ‘in dialoog met’,). Dus aan de ene kant worden armen geweerd en als ‘overlastveroorzakers’ bekeken, aan de andere kant wil men werken aan hun participatie.  Dit  zijn tegenstrijdige pistes. Daarbij komt het volgende: Ondanks het feit dat de verenigingen in Antwerpen wel bekend staan bij de stadsdiensten, krijgt men toch nog vaak de indruk dat beslissingen die een weerslag hebben op het leven van mensen in armoede, vaak genomen worden zonder hen te raadplegen.  Achteraf staan ze dan wel open voor kritiek of overleg, maar de eigenlijke beslissingen worden zonder hen genomen. Wil er sprake zijn van een werkelijke participatie, dan  dringt een andere timing zich op. Men moet hen niet enkel achteraf laten participeren, maar ook op voorhand moet er overleg zijn. Met het  alternatief plan nemen wij als uitgangspunt dat je aan stadsontwikkeling doet met de mensen die in die wijken wonen, werken en leven. Inplantingen van louter commerciële en prestigeprojecten bereiken net het omgekeerde. Een effect dat nog versterkt wordt door, zeker op het vlak van woningbouw, de markt te laten spelen. In het alternatief stadsplan veilig doen we, zeker ook vanuit bovenstaande vaststellingen, een aantal voorstellen waarmee aan een werkelijk participatieve democratie gestalte kan gegeven worden.

6. onderwijs, tewerkstelling en huis-vesting : hefbomen voor leefbare wijken voor de mensen, met de mensen
6.1 ONDERWIJS EN DE WIJK.
Het onderwijs komt in het veiligheidsplan nauwelijks  ter sprake.Nochtans wordt algemeen erkend dat het onderwijs een belangrijke rol kan spelen in het maatschappelijk gegeven en in het voorkomen van overlast en criminaliteit. De scholen in achtergestelde wijken zoals
Antwerpen Noord tellen (buiten heel wat kinderen uit allochtone gezinnen en arme autochtone gezinnen) heel wat kinderen met een precair verblijfsstatuut Algemeen kan gesteld worden dat we verwachten dat de overheid haar ogen niet meer sluit en erkent dat er ook mensen en kinderen zonder papieren of in precaire verblijfsstatuten hier leven. De overheid moet zich verantwoordelijk voelen  voor  het feit dat ook zij hier menswaardig kunnen leven, en naar school kunnen gaan.Zelfs al hebben ze geen verblijfsstatuut, ze hebben nog wel grondrechten.Het recht op onderwijs is voor hen  gelukkig gegarandeerd. Om die kinderen echt gelijke kansen te geven is echter er heel wat meer nodig zowel binnen als buiten het onderwijs.De school maakt onmiskenbaar deel uit van de wijk. De school reflecteert de samenstelling van de wijk en is ingeplant in de wijk. Het is dan ook erg vreemd dat de overheid de schoolgemeenschap niet als bevoorrechte gesprekspartner beschouwd bij het aanpakken van problemen in de wijk.Opmerkelijk is nochtans de lage drempel van de basisschool. Heel wat ouders komen met hun vragen (ook over gezondheid, arbeid, statuut, huisvesting,…) bij de school en leerkrachten terecht. Hierdoor kent de schoolgemeenschap  als geen ander de problemen van de wijk. Op dat vlak kan de school een belangrijke rol spelen als doorgeefluik van problemen aan de overheid (bvb. huisvesting, gezondheidszorg, enz…). Er wordt daar echter geen of nauwelijks gebruik van gemaakt. Een aanspreekpunt om sociale problemen aan te kaarten is geen overbodige luxe.De school is ook de uitgelezen plaats om informatie te geven en de ouders te bereiken via hun kinderen of rechtstreeks.  Via de school kan allerlei informatie gegeven worden (o.a.  rond huisvuilomhaling, gezondheidszorg, vreemdelingenstatuut enz…). Vermits de school geen onderscheid mag maken tussen “kinderen zonder papieren” en “ kinderen met papieren” komen deze scholen gemakkelijker in contact met gezinnen zonder verblijfsvergunning.  Een nauwere samenwerking tussen onderwijs en welzijnswerk zou er  kunnen voor zorgen dat de welzijnssector deze doelgroepen beter zou bereiken. Hierbij heeft de school uiteraard extra ondersteuning nodig. De extra ondersteuning die nu werd bekomen via het Gokdecreet wordt nu wegens overbevraging van de enkel gebruikt voor de schoolse loopbaan van het kind (bvb. gesprekken tegen spijbelen, onderzoek naar begaafdheid van het kind, enz;..) en/of om de ouders dichter bij de school te betrekken.De problemen waarmee de ouders geconfronteerd worden die heel wat breder zijn dan de school worden hierdoor niet aangepakt.Er is een grote vraag van de scholen naar een brugfiguur ( een maatschappelijk assistent) die de ouders kan helpen  bij hun zoektocht naar huisvesting, voedselbanken, arbeid, onderwijs,….én waarop de leerkrachten beroep kunnen op doen bij problemen buiten de schoolsfeer.Uiteraard moeten er ook tolken beschikbaar zijn die de ouders kunnen  helpen. Vooral het gebrek aan Roma-tolken is schrijnend. Ook deze mensen hebben het recht om in hun  eigen taal aangesproken te worden.Er zijn ook andere maatregelen die nodig zijn maar meer het schoolgebeuren zelf betreffen. Vermits er meer noden zijn in scholen in achtergestelde wijken, is er behoefte  aan meer middelen voor die scholen in die wijken die meestal bevolkt worden door kinderen met een taal en/of sociale achterstand.De stedelijke onderwijsoverheid heeft onlangs gekozen voor de verzelfstandiging van het onderwijs en voor een decentralisering van het beleid, met alle gevolgen van dien. De kans is groot dat dit een besparingsoperatie wordt. Tevens zal dit leiden tot een  concurrentieslag tussen scholen en schoolgemeenschappen met een groeiende kloof tussen rijke en arme scholen tot gevolg. Als openbaar onderwijs moet, vooral het stedelijk onderwijs,  dan ook zijn sociaal en maatschappelijk engagement waar kunnen blijven  maken. Dit kan enkel wanneer de solidariteit tussen de verschillende scholen behouden blijft Sedert de toepassing van het KB-Nothomb (in ’84 aan Antwerpen opgelegd als deficitaire gemeente) mag de stad geen extra inspanningen doen voor het onderwijs als dusdanig. Hogere wedden of extra vergoedingen voor leerkrachten, extra mensen voor de klas en in de scholen, betalingen voor kinderopvang voor en na de lessen… dat is allemaal verboden. De leerkrachten in het Stedelijk Onderwijs worden volledig gesubsidieerd door de Vlaamse regering en kosten de stad geen cent. De annulering van het KB-Nothomb is dus dringend nodig zodat de stad zelf kan kiezen om  meer middelen te  geven  aan de scholen in achtergestelde wijken.Deze maatregelen zouden dan kunnen genomen worden om de grootste noden te lenigen.a) Lessen Nederlands: Op dit ogenblik kunnen Anderstalige nieuwkomers enkel rekenen op één jaar Nederlands. Een bijkomend jaar is voor de meeste kinderen  noodzakelijk b) Huiswerkbegeleiding en computerklassen: Vermits de kinderen niet kunnen beschikken  over  een computer thuis en de ouders niet bij machte zijn om hen te helpen  tijdens hun huiswerk vragen we de inrichting en een infrastructuur  van computer- en huiswerkklassen, waar de kinderen door betaalde professionele krachten kunnen begeleid worden.c) Voldoende tolken (ook Roma-tolken ) om de leerkrachten en CLB te helpen in de communicatie met de oudersd) het recht van leerlingen zonder verblijfsvergunning die deeltijds onderwijs volgen om stageplaatsen te mogen bezettene) Degelijke (voor de ouders  gratis)   voor –en nabewaking zoals het voor het opleggen van het KB-Nothomb was.f) het aanstellen van maatschappelijke werkers in de scholen die instaan voor het opvolgen van de sociale problemen van de ouders en als spilfiguur tussen ouders en stedelijke diensten.Gelijke kansen in het onderwijs kunnen alleen maar gerealiseerd worden door ook de maatschappelijke ongelijkheid in vraag te stellen. Daarom moet er op twee vlakken gewerkt worden. Meer middelen en meer aandacht voor de sociaalzwakke kinderen en leerlingen maar ook verkleinen  van de maatschappelijke kloof tussen rijk en arm . (tewerkstelling, huisvesting, statuut,…).Met de nodige middelen kan ook het onderwijs daarin een rol spelen. 
6.2 Tewerkstelling Het alternatief stadsplan veilig vertrekt m.b.t het werkgelegenheidsvraagstuk vanuit de tendens van ‘ de zich terugtrekkende overheid’. Deze tendens wordt gekenmerkt door een overheid die haar eigen takenpakket reduceert tot wat zij ziet als kerntaken. En verder, in het beste geval, op die domeinen die zij als speler verliet, regulerend wil optreden. Het gevolg voor de tewerkstelling situeert zich zowel op het kwantitatieve als het kwalitatieve vlak : enerzijds daalde het aantal arbeidsplaatsen bij de stad van meer dan 12.000 einde de jaren ’70 tot 7.000 anno 2005. Op kwalitatief vlak vond er een verschuiving plaats van uitvoerend personeel naar organiserend, leidinggevend personeel. Op financieel vlak kan men deze verschuiving het best omschrijven als één van loonkosten naar werkingskosten : men kiest er als stad niet langer voor zelf werken uit te voeren met eigen personeel : men kiest er daarentegen voor om werk uit te besteden en daarvoor te betalen. Deze tendens werd tijdens de lopende legislatuur nog versterkt en laat zich o.m. door volgende elementen en gevolgen kenmerken : .- de verzelfstandiging van diensten tot autonome overheidsbedrijven die enveloppegewijs werken-  een inkrimping van het aantal ambtenaren enerzijds ( en gedeeltelijke vervanging door contractuelen ) en een uitholling van hun statuut anderzijds met verhoogde werkdruk en opgelegde flexibiliteit tot gevolg met als gevolg een krimpende openbare dienstverlening.  – een verschuiving van sociale dienstverlening naar controlerende en repressieve taken- het steeds veelvuldiger zoeken en inzetten van vrijwilligers om uitvoerende taken in de autonome overheidsbedrijven te vervullen ( bvb. in de ziekenhuizen, de plannen in dit verband met zowel de bibliotheek als de musea )- ‘ideologische’ omkadering met begrippen als regie van buurten, performante overheid enzEen invalshoek van dit alternatief plan m.b.t tewerkstelling is de situatie van de werkloze. Die is, zeker in de achtergestelde wijken,  niet éénduidig. We onderscheiden de volgende situaties : – mensen die hier niet mogen werken : mensen zonder papieren, mensen in allerlei fases van de procedure, mensen met een tijdelijke verblijfsvergunning- mensen die op de reguliere arbeidsmarkt niet meer aan de bak komen omdat de werkdruk te hoog ligt  en mensen die op de reguliere arbeidsmarkt niet terecht kunnen omdat zij niet – niet meer – over de nodige kwalificaties en/of sociale vaardigheden beschikken- mensen die niet ad bak komen omwille van een falend diversiteitbeleid- werklozen die niet aan de bak komen omwille van het gebrek aan jobs Wij beschouwen de stedelijke overheid niet enkel als motor voor tewerkstelling maar ook als actieve werkgever die, in tegenstelling tot de gangbare praktijk, een gerichte aanwervingspolitiek voert, afgestemd op een brede stedelijke dienstverlening en met uitgebreide aandacht en programma’s voor de groepen van werklozen die in het huidige arbeidsmarktsysteem uit de boot vallen. Wij concretiseren dit als volgt :- m.b.t mensen zonder of met precaire verblijfsstatuten is ons vertrekpunt dat al wie langdurig in België verblijft in de mogelijkheid moet gesteld worden om zelf in zijn onderhoud te voorzien m.a.w. toegang tot de arbeidsmarkt moet kunnen krijgen. Dit betekent een herziening van het arbeidskaartensysteem met de veréénvoudiging tot één kaart waarover iedere meerderjarige, ongeacht zijn statuut, beschikking vanaf een zekere verblijfsduur op ons grondgebied. De stad kan hierin het voortouw nemen door zulk een arbeidskaart uit te reiken – wat onwettelijk is – en op die manier de kat de bel aanbinden. Daarnaast dienen deze mensen ook toegang te krijgen tot opleidingsprogramma’s : we denken hier vooral aan de knelpuntberoepen. De werkgevers zijn vragende partij in deze. Zij zijn voor de opheffing van de migratiestop om die knelpuntfuncties in te vullen. Wij  zijn van mening dat de aanwezige arbeidsreserve die zich ook bevindt onder de mensen met precaire verblijfssituaties eerst moet aangesproken worden. De stad Antwerpen zou ook hier een voortrekkersrol kunnen spelen door gezamenlijk een aantal projecten op te zetten. Concreet zou een samenwerkingsproject tussen Vespa, VDAB, Onze Woning en vluchtelingenorganisaties  vorm moeten krijgen i.v.m sociale huisvesting. Ook m.b.t. tot andere knelpuntberoepen en het publieke domein kunnen soortgelijke opleidingen, leidend tot tewerkstelling, vorm gegeven worden. De mogelijkheden zijn legio en ondermeer verder uitgewerkt onder punt 4 van deze bijdrage.- M.b.t. mensen die op de reguliere arbeidsmarkt niet meer aan de bak komen omdat de werkdruk te hoog ligt  en mensen die op de reguliere arbeidsmarkt niet terecht kunnen omdat zij niet – meer – over de nodige kwalificaties en/of sociale vaardigheden beschikken dienen enerzijds de toeleidings- en heroriënteringmechanismen verfijnd en anderzijds dienen de bedrijven en projecten die zich situeren in de sociale economie uitgebreid. De perspectiefloosheid en het demotiverend karakter van een aantal van de toeleidingsmechanismen dient doorbroken door garantie op tewerkstelling na het doorlopen van een begeleidingstraject. Daarnaast dienen nieuwe projecten in de sociale economie opgezet : Vespa en sector van de sociale huisvesting bieden hier mogelijkheden. Daarnaast ook bvb de ontwikkeling van een stadsfietsherstel en recyclagebedrijf.  Ook hier zijn de mogelijkheden legio.- M.b.t mensen die niet aan de bak komen omwille van een falend diversiteitbeleid : het personeelsbestand van de stad Antwerpen moet op alle niveaus de samenstelling van de bevolking weerspiegelen. Dit vereist een enorme inhaalbeweging met een positief discriminerend aanwervingsbeleid : het gebruik van richtcijfers dringt zich hier op. Daarbij dient bijzonder veel aandacht te gaan naar functies die in rechtstreeks contact staan met de bevolking. De aanwervingprocedures dienen in dit kader geheroriënteerd. M.b.t tot mensen die niet aan de bak komen omwille van gebrek aan jobs  de stad dient de aanwervingstop op te heffen en op te treden als een actief werkgever die zijn personeelsbestand uitbreidt in functie van de openbare dienstverlening. De tendens om steeds meer taken uit te besteden dient omgekeerd. Vooreerst echter dient het bestaande personeelskader volledig ingevuld.  Daarnaast zijn de mogelijkheden tot jobcreatie, die dringende maatschappelijke noden lenigen, legio : + de groendienst : onderhoud van bomen, plantsoenen en parken+ onderhoud van rioleringen en putjes+ onderhoud van zwembaden in ‘t bijzonder, en ruimer, van de overheidsgebouwen+ vespa : restauratie en vernieuwbouw van het uitgebreide pandenbestand in functie van een gespreide sociale woonzorg+ het onderhoud van het wagenpark+ naschoolse opvang en huiswerkbegeleiding+ gehoor geven aan de eisen van de witte woede :  invulling van de gevraagde jobs, omgerekend naar de stedelijke coëfficiënt+ administratieve dienst die de nieuwe identiteitskaarten moet uitreiken+ tolken op basis van taal- en cultuurkennis en minder op basis van diploma+ het wegenonderhoud, in ‘t bijzonder de fietspaden+ ruimere omkadering van de scholen in achtergestelde wijken met brugfuncties naar ouders, de buurt en de verschillende welzijnsdiensten  + herstel van de tewerkstelling in de jeugd- en welzijnssector die met de overgang van het SIF-beleid naar groot stedenbeleid verloren ging+ bejaardenzorg voor de bejaarden die verkiezen om thuis te blijven wonendaarnaast liggen er op het vlak van ruimere stedelijke dienstverlening nog tal van mogelijkheden om te komen tot jobcreatie : een dienstverlening die door de bevolking meer dan gewaardeerd zou worden en die voor een belangrijke groep mensen die nu niet meer op de arbeidsmarkt terecht kunnen een zinvolle tewerkstelling zou betekenen. Hierbij dient opgemerkt dat de overheid zich bewust is van de wenselijkheid van deze uitgebreide dienstverlening. We stellen echter ook vast dat diezelfde overheid in deze vooral het vrijwilligerswerk wil stimuleren. We vermelden in dit verband 2 hete hangijzers :- meer openingsuren voor de musea- meer openingsuren voor de bibliotheken Verder dient, gezien de reusachtige werkloosheid, die België in ‘t algemeen, steden als Antwerpen in ‘t bijzonder treft, een proces van algehele arbeidsduurvermindering voor het stedelijk personeel opgestart. Ook hier geldt dat de stad een voortrekkersrol kan en moet spelen. Voor de modaliteiten van deze arbeidsduurvermindering sluiten we aan bij de inzichten van de vakbonden hieromtrent.
6.3 Huisvesting :het opsporen van krotten : Het opsporen van krotten is degelijk uitgebouwd en gebeurt op verschillende manieren en door verschillende instanties die vaak ook samenwerken : – individuele meldingen bij de dienst woonkwaliteit-  het krotspotteam : straat per straat controleert het alle huurwoningen (zeer goede structuur ).  Bij gebreken wordt de eigenaar in kennis gesteld en die krijgt dan een bepaalde tijd (relatief korte termijn ) om aan de voornaamste gebreken te verhelpen- de cel Krot-op van de politie : werkt zeer efficiënt en stelt proces verbaal op tegen verhuurders. Deze dossiers gaan naar het parket. Op regelmatige basis worden handhavingsacties gehouden.  Dit houdt in dat woningen die toch nog verhuurd worden na de onbewoonbaarverklaring worden gecontroleerd en eventueel ontruimd. Groot probleem hierbij vormt de herhuisvesting van de mensen die dan aangetroffen worden.- de vzw Rot op huisjesmelkers : Bewoners, hulporganisaties en stedelijke diensten doen een beroep op deze organisatie. Deze VZW kent een zeer goede samenwerking met het ocmw en de cel krot op van de stad. De opvolging van de dossiers is een sterk punt.- de huurdersbond is ook een sterk wapen in de strijd tegen de huisjesmelkers.Zoals reeds vermeld vormt de herhuisvesting vaak het grote probleem. Dikwijls zijn de huurders van onbewoonbare woningen tweemaal het slachtoffer. De stad heeft drie transitwoningen. Dit is veel te weinig; ze zijn steeds volzet. De stad heeft de taak om de bewoners te herhuisvesten. Meermaals blijft dit dode letter. Herhuisvesting in het zeemanshuis gebeurt soms op zeer tijdelijk basis maar dit valt te duur uit .De slachtoffers gaan zelf op zoek naar herhuisvesting maar komen dikwijls terug bij een huisjesmelker terecht. De wetgeving moet veranderd worden. Als de stad niet voor herhuisvesting kan zorgen moet de verhuurder er voor instaan en alle kosten dragen.Bij uitzettingen gebeurt vaak hetzelfde. Verhuurders zetten van de ene minuut op de andere hun huurders op straat zonder een vonnis van het vredegerecht ; dit om kosten te besparenWelke hulp gaat men bieden als men bij uitvoering van het stadsplan veilig mensen aantreft die in slechte omstandigheden gehuisvest zijn ? Herhuisvesten kan niet want men heeft geen woningen genoeg. Snellere toegang tot de sociale huisvesting zou al een grote stap voorwaarts zijn. Vele stadspanden zijn verloederd. Renovatie en een aantal van deze woonsten ter beschikking houden voor mensen die uit een onbewoonbaar pand worden gezet zou soelaas kunnen bieden.

Sociale huisvesting

In Antwerpen-noord zijn er 1601 sociale woningen. We zijn daarmee zeker niet de koploper in Antwerpen. Antwerpen-Kiel, Linkeroever, Luchtbal en Rozenmaai tellen er aanzienlijk meer. Er zijn honderden gezinnen die op de wachtlijst staan.
Antwerpen Noord telt ongeveer 43 000 inwoners. Het tekort aan sociale woningen in
Antwerpen Noord en aantal woningen dat er in dit gebied op korte termijn bij moet komen bedraagt een 500.Een 50 tal woningen zou permanent ter beschikking moeten staan voor de slachtoffers die uit onbewoonbare woningen gezet worden. Er staan ook een aantal woningen al lange tijd leeg. Verkrotting slaat toe. Sociale woningen laten verkrotten kan niet want dit is het einde . Nochtans gebeurt dit o.m. in de Scheldevrijstraat. Sociale woningen moeten openstaan voor iedereen ongeacht huidskleur, geloof en taal. Het project taal-oor dat momenteel in verschillende hoogbouwen loopt ( Stuivenbergplein, Geelhandplaats ) biedt een positieve en emanciperende oplossing voor het probleem van de Nederlandsonkundigheid van sommige bewoners in de sociala huisvesting. Deze projecten moeten uitgebreid worden. Hiervoor dienen meer middelen ter beschikking gesteld te worden.

Crisisopvang Het aantal daklozen groeit aan. In Antwerpen is er slechts één nachtasiel met een capaciteit van 40 plaatsen in de Biekorf, Dambruggestraat. Dit is te weinig. Een aantal daklozen durft hier geen overnachting vragen uit schrik. De meeste mensen die hier overnachten zijn drugverslaafden, mensen met een alcohol probleem en/of mensen met een psychiatrische stoornis. Gezinnen met kinderen kunnen hier al helemaal niet terecht. De crisisopvang in de Trapstraat geldt maximum voor drie dagen; daarna  wordt men op straat gezet indien geen andere oplossing gevonden werd. Deze opvang moet uitbreiding krijgen in tijd. Wie kan er op drie dagen een nieuwe woonst vinden of zijn toestand op materieel en/of financieel vlak  zo verbeteren dat hij/zij zelf in zijn/haar onderhoud kan voorzien. Elk district zou een crisisopvang moeten hebben. Ook hier moeten meer middelen voorzien worden.

Vespa In opdracht van het stadsbestuur is
AG Vespa verantwoordelijk voor de juridische afhandeling van alle aan-en verkopen van vastgoed. De gemeenteraad heeft 910 eigendommen aangeduid die de komende jaren optimaal moeten gevaloriseerd worden. De verkoopopbrengsten hiervan worden geraamd op 8 miljoen euro per jaar.  Daarnaast zorgt
AG Vespa voor het financieel-administratief beheer van een 2000- tal verhuringen van vastgoed aan particulieren. De opbrengsten uit de verhuringen en verkopen komt de stad ten goede

Conclusie De stad heeft instrumenten en middelen genoeg om een menselijk en degelijk herhuisvestingsbeleid te voeren. Zowel via
AG Vespa en de sociale huisvestingmaatschappijen kunnen woningen voorbehouden worden voor mensen die uit onbewoonbaar verklaarde woningen gezet worden. Als elk van beide een 50-tal woningen ter beschikking stelt is dit probleem van de baan. Men kan voor de renovatie van de stadswoningen zorgen voor nieuwe tewerkstelling van laaggeschoolden.Het stadsplan veilig biedt geen meerwaarde voor huisvesting aangezien de actoren op het veld nu reeds goed werk verrichten maar moet rekenen op een administratie die gewoonweg niet kan volgen. De vraag luidt ook of men wel durft optreden  tegen dat deel van de administratie dat achter blijft.

7. De gezondheidszorg

Gezondheidszorg is een basisrecht van iedereen in de Stad. Een stedelijke gezondheidszorg betekent dan ook het zorg dragen voor de gezondheid van iedereen. Met de nadruk op zorg (care) meer dan op behandeling (cure). De klemtoon moet daarbij liggen op preventie. Gezond zijn is meer dan niet-ziek zijn : een gezonde woonomgeving, gezonde werkomstandigheden, gezonde huishoudelijke financies enz. Gezondheidszorg aanbieden aan de burger behoort tot de kerntaken van een grootstad. Het is een kwestie van non-profit en social-profit :  niet winstgevend op financieel, commercieel vlak, wel winstgevend op sociaal vlak. We werken dit in ‘t kader van dit document uit in 3 punten : 1.      Preventie : De gezondheidsvoorlichting en –opvoeding mag nog meer centraal staan in het stedelijk beleid. Preventieve centra als Kind- en Gezin, LOGO, e.a. verdienen extra promotie en uitbreiding, met toegankelijkheid voor iedereen.Ook in ‘t kader van preventie staat de woonproblematiek centraal :  er moet bijgevolg meer aandacht gaan naar de woonomstandigheden van de zwakste groepen, cfr. 6.3 huisvesting.Ook gezond werken maakt deel uit van een preventiebeleid : een gezonde werkomgeving, met voldoende controle van onafhankelijke organen is een voorwaarde. Aandacht ook voor de situatie van mensen in de interimarbeid en de onderaanneming, waar de algemene regels gemakkelijk omzeild worden. Aandacht zeker voor de veiligheid in de petroleum en petrochemie-bedrijven. Het signaal van de stakers in Degussa dient au serieux genomen. Zij waarschuwen voor de toenemende onveiligheid in de bedrijven door doorgedreven afkalving van het personeelsbestand. Er moet een gemeentelijk meldpunt komen waar werknemers hun klachten kunnen uitbrengen over de situatie op hun bedrijf. Onafhankelijke experts moeten de klachten onderzoeken, het onderzoek moet openbaar zijn. Een  4de vlak waarop preventie zich situeert zijn sport en beweging : de financiële middelen voor sport in de stad moeten een zo groot mogelijke groep bereiken. De ondersteuning van plaatselijke sportclubs is verre van toereikend. En het afschaffen van het gratis zwemmen in de stadsscholen is tekenend.

2. de eerstelijnsgezondheidszorg : hulpverleners in de eerste lijn moeten beter geïnformeerd worden over de mogelijkheden om de drempels voor zwakkere groepen te verlagen. Het systeem van de derde betaler moet gepromoot worden via de gemeentelijke kanalen. Elke Antwerpenaar heeft recht op toegang tot een huisarts in de buurt. Gratis én kwaliteitsvolle eerstelijnszorg dient uitgebreid te worden. Zij mag niet beperkt blijven tot kleine ‘sociale eilandjes’ als de centra van Geneeskunde voor het volk,  Artsen Zonder Grenzen en Gapro.

3. de tweede- en derdelijnsgezondheidszorg : deze vindt vooral plaats in de ziekenhuizen. Met de in- en uitvoering van het ZNA-plan draagt de stad zeker niet bij tot het aanbieden van een laagdrempelige kwalitatieve zorg aan iedereen. De Antwerpse ziekenhuizen moeten terug openbaar worden. Sinds de 8 OCMW-ziekenhuizen samengevoegd zijn in de VZW van privaat recht ZNA, stijgen de kosten voor de patiënt, stijgt de werkdruk voor het verplegend personeel, en is er minder democratische controle op het budget. Mensen zonder papieren moeten een absurde papiermolen doorlopen vooraleer ze toegang krijgen tot de zorg. Voorschotten in de ziekenhuizen zijn drempelverhogend en nutteloos. De ziekenhuizen worden nu geleid vanuit een economisch oogpunt ipv uit een gezondheidsperspectief. Het Stuyvenbergziekenhuis heeft in
Antwerpen Noord een enorm belangrijke rol te vervullen. Het moet dan ook kunnen blijven bestaan. Een andere visie dan het huidige ZNA-model dringt zich op.De eisen van de witte woede voor betere arbeidsvoorwaarden en meer personeel dienen in deze zeker ondersteund. De Stad kan ook in deze een voortrekkersrol spelen. In plaats van honderden miljoenen franken te betalen aan dure consultancybureaus
[KM1] uit het buitenland zou het veel nuttiger zijn dat de stad rekening houdt met de mening en de ervaring van de mensen op het terrein. Zij bezitten de expertise en de verantwoordelijkheidszin om een efficiënt en gezond beleid uit te stippelen. De vergrijzing is een teken van welvaart, hoewel de beleidsmensen het eerder zien als een economisch probleem. We verzetten ons tegen een ZNA-scenario voor de zorg voor ouderlingen. De OCMW-rust- en verzorgingsinstellingen moeten openbaar blijven. De middelen om een kwalitatieve gezondheidszorg aan te bieden aan alle Antwerpenaars zijn zeker te vinden. Het wetsvoorstel van Dr. Van Duppen, gekend als “het kiwi-model”, wordt door grote lagen van de bevolking en organisaties binnen en buiten de witte woede ondersteund. Door het systeem van openbare aanbesteding kunnen de geneesmiddelen veel goedkoper worden voor de ziekteverzekering en de patiënt. Dit zou, ook als voorzetje, kunnen ingeplant in de aankooppolitiek van de Antwerpse ziekenhuizen.  [KM2] 

8. Leefbare en sociale wijken kosten geld : mogelijke financieringsbronnen

De voorstellen in dit alternatief voor het ‘Stadsplan Veilig’ kosten natuurlijk geld. Kwatongen beweren nogal eens dat de Stad Antwerpen echter helemaal geen geld heeft. Hoe moeten deze voorstellen dan waargemaakt worden ? Is het niet allemaal een beetje dromen met de ogen open ? We durven zeggen van niet.Om te beginnen is het zo dat het stadsbestuur zich al vier jaar op rij op de borst klopt omdat “de begroting sluitend is”. Dat wil zeggen dat er voldoende geld binnenkomt om de geplande uitgaven te doen. Bij die geplande uitgaven kunnen we echter wel wat vragen stellen. Is het echt nodig om 2.447.200 euro te investeren in de heraanleg van het Kievitplein, zeker als dat gaat gebeuren op een manier waar de bewoners niet van gediend zijn ? Is het echt nodig om 10.000.000 euro uit te geven aan een nieuwe topsporthal ? Zouden dergelijke omvangrijke middelen niet beter kunnen geïnvesteerd worden in projecten die direct tegemoet komen aan de reële behoeften van tal van inwoners, eerder dan aan de wensen van bedrijven en toegeven aan prestigeoverwegingen ?Er is echter meer. Want de uitspraak dat “de begroting sluitend is”, verbergt eigenlijk een grove onrechtvaardigheid. Sinds in 1982 Antwerpen fusioneerde met haar randgemeenten betaalde de stad élk jaar zo’n 7 miljard BEF of 173.500.000 € aan bankiers en renteniers. Concreet betekent dit dat ruim één vierde van alle inkomsten van de stad besteed werden aan de afbetaling van schulden uit het verleden én aan rentelasten. Als we even optellen wat de bankiers en renteniers zo al ‘verdiend’ hebben op de kap van de Antwerpenaar, dan komen we aan het hallucinante bedrag van bijna 4 miljard euro of 161 miljard BEF. Als je weet dat de stedelijke schuld in 1982 ongeveer 62,5 miljard BEF groot was, dan betekent dit dat… de Antwerpse bevolking ondertussen reeds méér dan tweeëneenhalve keer de volledige stadsschuld heeft terugbetaald !Nu zijn er heel wat mensen (óók stadsbestuurders !) die ervan overtuigd zijn dat de schuldenlast die we nu nog altijd aan het ‘terugbetalen’ zijn eigenlijk voortgevloeid is uit een slecht beleid.  De vroegere stadsbestuurders (en met name de zogenaamd ‘grote’ burgemeesters), zouden het (geleend) geld door deuren en vensters hebben gesmeten en daar draaien wij nu willens-nillens voor op. Bij nader inzien klopt van deze bewering zo goed als niks.Het overgrote deel van de leningen werd aangegaan om de haven te kunnen uitbouwen. Eigenlijk zouden die kosten door de centrale regering moeten zijn gedaan. Die was echter niet of nauwelijks geïnteresseerd in het uitbouwen van de Antwerpse haven tot een economische groeipool. Vandaag is de Antwerpse haven – dankzij het geleend geld uit het verleden ! – goed voor bijna een kwart van alle rijkdom die jaarlijks in Vlaanderen wordt voorgebracht én voor één tiende van alle tewerkstelling in Vlaanderen. Van dat succes profiteert de Vlaamse en federale overheid, via de belastingen. Ook het autonoom havenbedrijf profiteert er van, met uiterst mooie winstcijfers. Als het echter op het afbetalen van de schuld aankomt, dan… mogen stad en bevolking daarvoor opdraaien.Het is dan ook onjuist om zeggen dat de stad geen geld heeft. Ze heeft dat geld wel, maar ze kiest ervoor het uit te geven aan kapitaalbezitters die de laatste 25 jaar reeds zéér goed vergoed werden voor het geld dat ze destijds uitleenden.De stad kan echter niet zomaar onder die ‘afbetaling’ uit komen. Mocht ze bijvoorbeeld de betalingen gewoonweg stopzetten, dan kun je er donder op zeggen dat de Vlaamse overheid prompt het aandeel van Antwerpen uit het Gemeentefonds zou bevriezen. Daarmee zou de stad in één klap beroofd worden van haar voornaamste bron van inkomsten.Wil dat dan zeggen dat de stad gegijzeld wordt ? Eigenlijk wel. Toch betekent dit niet dat het stadsbestuur niks kan doen. Zo zou de stad een begroting kunnen opstellen die uitgaat van de werkelijke behoeften van de grote meerderheid van de bevolking. Daarmee zouden ook de voorstellen uit dit plan kunnen worden uitgevoerd. Ze zou daarmee zwart op wit kunnen aantonen dat ze zich wel degelijk bewust is van de moeilijke omstandigheden waarin vele Antwerpenaren verkeren. Tevens zou ze de Vlaamse overheid verplichten om tegenover deze problemen een standpunt in te nemen. Om de druk op de ketel te houden zou de stad kunnen besluiten dat er simpelweg geen geld genoeg is om… ook de rentelasten op de schuld te blijven betalen. Aan de Vlaamse overheid om dan te tonen dat ze werkelijk bekommert is om het welzijn van de stadsbevolking, bijvoorbeeld door de Antwerpse schuldenlast kwijt te schelden. Prompt zou er geld genoeg zijn, onder andere voor de voorstellen in dit alternatief stadsplan.Mocht het stadsbestuur kiezen voor deze koers, dan zou ze haar populariteit bij brede lagen van de bevolking opnieuw kunnen omhoog schroeven. Waardoor iedereen de toekomst weer met wat meer vertrouwen kan tegemoet zien…

9. Info’s en contacten

het initiatief om een aantal alternatieve pistes te ontwikkelen voor het stasdplan veilig kwam er op initiatief van BastA!. De volgende mensen leverden bijdragen aan dit document, waarvoor dank :
Edwin Delanoeye, Elke Vandermeerschen,
Frank Hosteaux,
Jos Geudens, 
Mie Branders,
Nadine Peeters, Peter Veltmans, Wim Deweerdt.Daarnaast werd het kritisch gelezen en becommentariëerd door een hele schare mensen : zowel  mensen die regelmatig de Basta-vergaderingen bijwonen als anderen : buurtbewoners, welzijznswerkers, stadsambtenaren, ocmw-medewerkers e.a. die op één of andere manier bekommerd zijn over de gang van zaken in deze stad en het stadsplan veilig allesbehalve een goed antwoord vinden op de sociale problematiek die een aantal wijken van Antwerpen zo manifest kenmerkt. Dit document is geen beleidsplan. Het is een denkoefening van mensen die wel overtuigd zijn van de maakbaarheid van de samenleving. Van mensen die op één of andere manier, op professionele basis of op basis van een vrijwillig engagement, actief zijn om het leven in de buurten mogelijk te maken met alle mensen die er wonen. De geopperde alternatieven zijn niet naïef : ze zijn doordacht, gebaseerd op de ervaring van vele buurtbewoners enerzijds en inzichten uit de literatuur anderzijds. Bovenal, ze zijn realiseerbaar : ze vergen wel keuzes, keuzes voor het type samenleven dat men wil, keuzes die dit stadsbestuur dringend moet maken. Het is nu aan hen. De medewerkers aan dit document kan U contacteren op onderstaande nummers en adressen : Voor Basta :
Edwin Delanoeye,
edelanoeye@hotmail.com, 0484/67.13.15
Frank Hosteaux,
hosteaux007@hotmail.com, 0475/66.32.16
Jos Geudens,
Jos.Geudens@pandora.be, 0497/52.37.43 

Met medewerking van:
Elke Vandermeerschen,
elkelouizajo@hotmail.com,
Mie Branders,
mie.branders@antwerpen.be,
Peter Veltmans,
peter.veltmans@skynet.be
Wim Deweerdt, wim.deweerdt2@yucom.be,



[1]Met volle veiligheid bedoel ik niet enkel de afwezigheid van (fysieke) bedreiging maar ook een sociale veiligheid, een aantal zekerheden (inkomen, verblijf, …) en perspectieven.[2]S(w)e: Indo Europese roots, betekent ‘zonder’, Cura: <coisa, oud Latijn, betekent ‘zorg’  

[3]
De optie dat ze elkaar links laten liggen, naast elkaar bestaan is in een stad per definitie onmogelijk, of het zou moeten gaan om autonome mini steden binnen een stad, met eigen regels, wetten, eigen burgerschap,…
 


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.